Proef- en vormingscentrum
voor de landbouw

Pagina afdrukken

Slimme irrigatietechnieken in de maïs in Noord-Limburg

Beregening van maïs is een sterk ingeburgerde praktijk in het noorden van de provincie. Het wordt door de landbouwers ook beschouwd als een ‘verzekering’ voor voldoende kwalitatief ruwvoeder. Dat maakt dat de meeste landbouwers in Noord-Limburg vandaag uitgebreid zijn voorzien van beregeningshaspels en bijhorend materiaal. Haspelberegening is vandaag de beste methode om aan de noden van de landbouwers te voldoen maar het is een arbeidsintensieve activiteit die bovenop de bestaande dagtaak komt. Het vraagt ook grotere debieten op korte periodes en het is praktisch onmogelijk om alle maïs op het ideale tijdstip te beregenen. Mede door de eerder aangehaalde onderschatting van het belang van irrigatie door de brede maatschappij komt het gebruik van haspelirrigatie meer in de belangstelling en wordt het door burgers vaak (onterecht) als negatief gepercipieerd. Mede daarom, maar eveneens door de potentiële efficiëntiewinsten, wil dit project een breed oriënterend onderzoek uitvoeren naar de praktische haalbaarheid van druppelirrigatie in de maïsteelt.

Aan zowel de klassieke beregening als de beregening met druppelirrigatie zijn enkele concrete voor- en nadelen verbonden (De Marcke, s.a.).

Bij klassieke haspelberegening kan gesteld worden dat:

  • Er vaak eerder aan de late kant wordt gestart met beregenen waardoor er al opbrengstverlies heeft plaatsgevonden;
  • Er een bepaald aandeel verdamping is;
  • Een groot gedeelte van het opgepompte water door restitutie terug in de bodem trekt.
  • De toediening erg arbeidsintensief is;
  • Er een gedeelte van de maïs wordt beschadigd door de aanleg van beregeningspaden;
  • Er een bepaalde blad-nat periode is die de kans op plaaginfecties doet toenemen;
  • Er risico is op ‘wegspoelen’ van het stuifmeel van de bloemen met lagere opbrengsten tot gevolg.;
  • Het erg flexibel is in gebruik;
  • De aankoop éénmalig is en de investering voor lange periode gebruikt kan worden.

Ook druppelirrigatie heeft enkele concrete nadelen nl.

  • Hogere aanschafkosten en in geval van wegwerpmateriaal meer afval;
  • In geval van duurzame darmen minder flexibiliteit qua bodembewerking;
  • Arbeidsintensieve aanleg van de installatie.

Grote voordelen aan druppelirrigatie zijn in de eerste plaats dat de arbeidsintensieve aanleg slechts éénmalig (per teeltseizoen) is in tegenstelling tot de wederkerigheid van haspelirrigatie (in droge jaren in regio Noord-Limburg 4 à 5 keer voor maïs). In geval van duurzame irrigatiedarmen wordt deze éénmalige tijdsbesteding zelfs nog over een veel langere periode gespreid. Een tweede voordeel is het feit dat er een serieuze energie/brandstofbesparing kan worden gerealiseerd. Aangezien er met druppelirrigatie frequenter kleinere dosissen vocht worden gegeven zijn er minder grote pompdebieten nodig waardoor er ook minder diepe grondwaterputten noodzakelijk zijn. Gezien de vergunning van grondwaterputten aan maatschappelijke gevoeligheid wint kan ook dit een voordeel zijn van druppelirrigatie t.o.v. de klassieke haspel. Een groot nadeel aan druppelirrigatie is de onzekerheid over de noodzaak ervan. Zeker in het geval van éénjarige druppelirrigatie kan het zich voordoen dat er in natte omstandigheden helemaal niet geïrrigeerd moet worden en de aanlegkosten dus volledig zinloos zijn geweest.

De technologie staat niet stil, ook niet in de druppelirrigatiesystemen. Het biedt immers nog bijkomende kansen zoals het aanbrengen van nutriënten (bemesting) of bodemverbeterende middelen via het irrigatiesysteem. Op die manier kan er nog specifieker met kleine doseringen op het moment van behoefte worden bemest om de nutriëntverliezen bijkomend te verlagen.

Ook in de irrigatieslangen zelf is er constant evolutie. Om de afvalberg te verkleinen wordt er steeds vaker met ‘duurzame irrigatieslangen’ gewerkt. Deze irrigatieslangen zijn duurder maar eveneens betrouwbaarder en kunnen zo’n 10 jaar meegaan. Ze worden vaak ondergronds aangelegd zodat er slechts een éénmalige aanlegkost is. Belangrijk is wel dat er in dat geval geen diepe bodembewerkingen kunnen worden uitgevoerd. Op die manier biedt het kansen in combinatie met moderne bodembewerkingsmethoden (bijv. ploegloos telen).

Het principe van druppelirrigatie is ook anders dan haspelirrigatie. Aangezien de druppeldarmen plaatsspecifiek water aanbrengen verschijnt er in zandgrond in feite een ‘waterkegel’ onder de druppeldarm. Bij de haspelirrigatie wordt het vocht over het hele perceel verspreid. Het feit dat er weinig opwaartse waterbeweging is in zandgronden maakt dat onderzoek naar ondergrondse slangen noodzakelijk is. Enerzijds gaat maïs in een vroeg stadium weinig of geen vocht kunnen opnemen indien de irrigatie diep (bijv. 30 cm) in de grond is aangelegd. Anderzijds zorgt het de aanwezigheid van water op grotere diepte dat de plant ook dieper wortelt en meer vocht uit de bodem zelf kan aanwenden. In de boomkwekerij is dit bijvoorbeeld een veelgebruikte techniek om de wortels ver te laten uitstoelen. Het principe van de ‘waterkegel’ is eveneens de reden dat er in het geval van druppelirrigatie veelvuldig met kleine hoeveelheden gewerkt wordt. Wanneer er grotere hoeveelheden water gegeven worden zal het water sneller verticaal migreren waardoor de kegel een lang en smal profiel krijgt en het water sneller dieper wegzakt in de bodem. Bij veelvuldige kleine doseringen is er meer horizontale migratie waardoor de basis van de kegel verbreedt tot een kort en breed patroon. Dit laatste verhoogt de opneembaarheid van het vocht door de planten en vermindert het risico op uitspoeling van nutriënten.

Looptijd project

01/01/2022 – 31/12/2023

Projectpartners